"Ook het zotte aspect kan een hoofdrol spelen"

't Is gebeurd, zou Erik zeggen. We laten 2020 eindelijk achter ons en duiken met veel plezier 2021 in. Ook Musea Brugge heeft dit goed begrepen en zet de festivalreeks ‘Mind The Artist’ op poten. Naast de tentoonstellingen werd ook een museumdichter aangesteld die het komende jaar enkele werken uit de verschillende musea in gedichten zal verwerken. Voor deze eerste editie werd niemand minder dan dichteres, columniste, Bruggeling en Slimste Mens finaliste Delphine Lecompte gekozen. Zoals de huidige etiquette het betaamt, sprak ik af met haar via Google Meet.

Voor zij die het écht nog niet weten: wie is Delphine Lecompte?

“Ik ben Delphine Lecompte, in de eerste plaats dichter en sinds enkele maanden ook columnist bij Humo. Het dichten staat voornamelijk op de eerste plaats omdat ik hierin mijn grootste fantasieën en gedachten vrij spel kan geven en waarin ik geen remmen heb. Wanneer ik proza schrijf, ben ik iets terughoudender, allicht ook kritischer voor mezelf omdat ik minder zelfzeker ben in mijn prozastukken.

Delphine 1

Als kind schreef ik altijd gedichten en korte verhalen in notitieboekjes. Toen ik twintig werd, werd die passie voor poëzie alsmaar groter en ontdekte ik ook veel dichters als Paul Snoek, Hugo Claus, maar ook Allen Ginsberg. Daarbij merkte ik dat poëzie niet zo hermetisch of star moest zijn en dat het verhalende en het zotte aspect ook een hoofdrol kan spelen. Later, wanneer ik dapper genoeg was, begon ik enkele werken door te sturen naar literaire tijdschriften. Af en toe werd er eens iets aanvaard en werd ik door de redacteur gecontacteerd om kleine bundels samen te stellen.”

Hoe ziet een dag voor jou eruit? Wat doe je het liefst en wat het minst graag?

“Mijn dag begint heel erg vroeg. Ik sta op om kwart voor vier ’s ochtends, wat voor sommige mensen nog nacht is, en dan begin ik meteen met schrijven. Ik denk dat ik op dat moment nog wat slaapdronken ben en nog wat droomflarden meeneem die ik kan verwerken in mijn gedichten. Ook hou ik van de stilte die er op dat moment hangt en dat ik ook nog niet belaagd kan worden door mensen. Ik kijk dan ook bewust niet naar mijn mails zodat ik mezelf niet kan laten afleiding want dat moment is best heilig. Dat werkt ook heel goed en zo schrijf ik dan enkele uren waarna ik ga wandelen met de hondjes (lacht). ’s Middags schrijf ik ook nog, maar dan merk ik toch dat het stroever verloopt en heb ik minder toegang tot mijn verbeelding.

Verder lees ik ook heel veel van andere dichters en kan ik ook genieten van misdaadliteratuur. Samen met mijn vriend, voormalig vrachtwagenchauffeur, Frank kijk ik ook veel naar series zoals The Sopranos.

Wat ik het minst graag doe zijn de huishoudelijke taken, hoewel ik er niet zoveel hebt (lacht). Niet dat ik elke dag aan het stofzuigen of aan het dweilen ben, maar er moeten natuurlijk ook boodschappen worden gedaan. Naast de huishoudelijke taken is administratie ook zoiets wat ik vaak laat liggen tot ik belaagd word door bureaucraten en ik het dus wel degelijk in orde moet brengen.”

Je bent sinds kort de eerste museumdichter van de stad. Wat betekent dat precies, wat houdt dat in?


“Als museumdichter moet ik in totaal acht werken uit de verschillende musea kiezen en daar een gedicht over schrijven. Ondertussen heb ik al twee gedichten geschreven, een over het Laatste Avondmaal van kunstenaar Gustave van de Woestyne en een over het Laatste Oordeel van kunstenaar Jeroen Bosch. Dat zijn toevallig twee werken uit het Groeningemuseum, maar ik heb ook al ideeën voor een gedicht over een wandtapijt uit het Gruuthusemuseum dat behoorlijk erotisch en libertijns is over een herderskoppel dat zich misdraagt. Ik denk dat ik met dit werk wel makkelijk een aanknopingspunt zal vinden (lacht).

Delphine 3

Daarnaast heb ik ook nog een werk uit het Arentshuis van Frank Brangwyn een kunstenaar uit Wales die ik nog niet kende. Voor de andere vier gedichten ben ik nog inspiratie aan het zoeken, maar dat hoeft nog niet snel te gebeuren. Ik heb een volledig jaar om aan dit project te werken en heb al vier werken gekozen enkel al in januari (lacht). De volgende maanden zal ik voornamelijk wat inspiratie opdoen in de andere musea. Ik ben alleszins heel dankbaar dat ik hiermee aan de slag mag gaan.”

Wat vindt u zelf van dat initiatief ‘Mind The Artist’?

“Ik vind het een heel knap initiatief dat Brugge niet alleen teert op de huidige collectie en de gevestigde waarden als Memling en Van Eyck, maar dat nieuwe jonge kunstenaars ook in de bloemetjes worden gezet. Dat vind ik fantastisch. Het is ook belangrijk om op die manier zuurstof te geven aan een stad.”

Wat zal je naast het schrijven van de gedichten nog doen tijdens de festivalreeks?

“Tijdens het festival zal ik vier keer officieel voordragen. Dat kan nog uitbreiden, maar dat zal ook van corona afhangen. In de tuin van het Guido Gezelle Museum zal deze zomer zo’n voordacht waarschijnlijk doorgaan. Daarbij zou ik graag Mauro Pawlowski willen uitnodigen om wat muziek te brengen. Ik treed regelmatig met hem op en dat is wel een goede combinatie. Daarnaast zou ik ook graag illustratrice Gerda Dendooven die ook live tekent betrekken bij mijn voordracht. Ook zal er een rondleiding komen voor sociaal kwetsbare mensen in beperkte groepen. Ik ben natuurlijk geen kunsthistorica, maar ik zou dan met hen eerder stilstaan bij de werken die mij hebben geïnspireerd en daar wat over praten. Dat moet allemaal nog meer vorm krijgen natuurlijk.”

Wat is jouw favoriete werk (of plek) in een van de Brugse Musea? Heb je een bepaalde band met dit werk of deze plaats?

“Het Laatste Oordeel van Jeroen Bosch, maar ook het Oordeel van Cambyses en de Doop van Christus van Gerard David zijn mooie werken. Sowieso heb ik een voorliefde voor de Vlaamse primitieven en expressionisten in het algemeen. De reden waarom ik niet hou van het neoclassicisme bijvoorbeeld is omdat dat té mooi is voor mij, dat is te bevallig, te behaagzuchtig en dat heb ik niet graag (lacht). Ik heb graag iets dat stekelig is, wat verwrongen is zoals de expressionisten. Het grimmige en lugubere, daar hou ik wel van (lacht).”

Ondertussen staat de kalender op 2021. Hoe heb je het afgelopen jaar zelf ervaren?

“Ik denk dat schrijvers misschien het best konden omgaan met de corona pandemie omdat wij sowieso vaak in isolement verkeren door ons beroep en onze passie. Alleen zijn was niet echt nieuw voor mij. Tijdens de lockdown heb ik nog meer geschreven dan normaal. Toch merk ik dat vooral mijn columns realistischer moeten zijn. In mijn gedichten kan ik beroep doen op mijn diepe gedachten en fantasie, maar in proza moet er toch af en toe iets realistisch gebeuren en dan is het interessant om dingen mee te maken en nieuwe mensen te leren kennen. Dat lukt nu niet zo goed meer dan voor de pandemie. Ik denk ook dat het ondertussen op iedereen wat begint te wegen.”

Delphine 4

Wat verwacht je van dit jaar? Zijn er zaken waar je naar uitkijkt, en hoopt dat ze mogen plaatsvinden?

“Ik ga gewoon heel veel blijven schrijven. Dat krijgt ook de voorrang uiteraard. In februari verschijnt een nieuwe bundeling met prozateksten waarvan ik hoop dat die wat gelezen en gerecenseerd wordt hier en daar. Daarnaast heb ik ook nog mijn voordrachten die hopelijk dit jaar mogen doorgaan want er zijn heel wat van de voordrachten die in 2020 niet konden doorgaan en werden verzet naar 2021. Ondertussen zijn er ook nog nieuwe voordrachten bijgekomen. Het wordt druk, maar dat is goed.”

Volg Delphine Lecomte en anderen hun werk via www.museabrugge.be

Delphines nieuwe prozabundel 'Beschermvrouwe van de verschoppelingen' verschijnt midden februari bij De Bezige Bij.

Tekst: Ine Detavernier. Foto's: Lander Mus.

Uit BLVRD Magazine editie #20.

Uw browser wordt niet ondersteund, schakel over naar een andere voor een optimale ervaring.